Het coronavirus

"Het kabinet zal doen wat nodig is om u te steunen. We zetten alles op alles om ervoor te zorgen dat bedrijven niet omvallen en dat mensen hun baan niet verliezen. Het zal hoe dan ook een moeilijke tijd worden, maar we laten u niet in de steek"

Mark Rutte

Als gevolg van de maatregelen tegen de uitbraak van het coronavirus is de Nederlandse economie flink gekrompen. Om de Nederlandse ondernemers en werkenden te ondersteunen heeft het kabinet een noodpakket van tientallen miljarden samengesteld. Daarmee bevestigt het kabinet bovenstaande boodschap van de minister-president.

Heb je vragen over deze maatregelen en de impact daarvan op jouw organisatie? Bel met jouw vertrouwde contactpersoon bij Finance Plus of bel ons algemene telefoonnummer 0182-622000.

De maatregelen van het kabinet

Op 28 augustus 2020 presenteerde het kabinet het derde noodpakket in het kader van de coronacrisis. Het kabinet noemt het derde pakket ‘Steun- en herstelpakket voor economie en arbeidsmarkt’. Dit is de opvolger van het ‘Noodpakket banen en economie (gepresenteerd op 17 maart 2020) en het ‘Noodpakket 2.0’ (gepresenteerd op 20 mei 2020).

Ondernemers en werkenden krijgen voor langere tijd meer duidelijkheid over financiële ondersteuning. Economische groei wordt gestimuleerd en waar nodig worden mensen geholpen richting nieuw werk. Bedrijven kunnen zich met dit noodpakket voorbereiden op de nieuwe toekomst en beter inspelen op de nieuwe economische situatie.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de regelingen in het derde noodpakket per 1 oktober 2020.

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW)

Het doel van de NOW is om aan werkgevers, onder voorwaarden, een subsidie te verstrekken als tegemoetkoming in de loonkosten.

Aanvankelijk kwamen werkgevers in aanmerking die gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden in de periode 1 maart tot en met 31 juli 2020 werden geconfronteerd met een omzetdaling van ten minste 20%. De subsidie werd berekend over de loonsom van werknemers over de periode maart tot en met mei 2020. Deze regeling staat inmiddels bekend als NOW 1.0. De regeling is verlengd voor een periode van vier maanden, namelijk juni, juli, augustus en september 2020. De regeling heet in de tweede periode NOW 2.0.

De regeling geldt niet voor DGA’s die niet of vrijwillig verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

NOW 1.0 

Omzetdaling
In verband met een eventuele vertraging in de omzetdaling mag je voor de bepaling van de omzetperiode kiezen voor een startdatum van 1 maart 2020, 1 april 2020 of 1 mei 2020. Deze daling moet tenminste 20% bedragen ten opzichte van 1/4e van de omzet over geheel 2019. Het is dus van belang de juiste omzetperiode te kiezen. De gekozen omzetperiode kun je niet meer aanpassen.

Loonsom en berekening subsidie
De subsidie bedraagt in beginsel maximaal 90% van de loonsom van januari 2020. Indien de huidige loonsom hoger is doordat een werknemer later in dienst is gekomen, telt het loon van deze werknemer niet mee voor de bepaling van de loonsom. Als er geen loongegevens zijn over dat tijdvak, wordt uitgegaan van het loon over de maand november 2019. Als er geen loongegevens bekend zijn over de genoemde aangiftetijdvakken bestond aanvankelijk geen recht op de subsidie. Voor seizoensbedrijven en bedrijven die een overname hebben gedaan is de NOW 1.0 met terugwerkende kracht aangepast. Als de loonsom van maart tot en met mei 2020 hoger is dan de loonsom van 3x januari 2020, wordt de loonsom van die drie maanden bij de vaststelling van de NOW-subsidie als uitgangspunt genomen.

Als loonsom geldt het sociale verzekeringsloon, waarbij per werknemer een maximum geldt van € 9.538 per maand. Daarnaast krijgen werkgevers een vaste opslag van 30€ vanwege andere kosten en lasten van de werkgever. De subsidie wordt verstrekt per loonheffingennummer. Indien sprake is van een groep ondernemingen moeten de omzetten worden samengeteld. Iedere werkgever binnen deze groep heeft dan te maken met hetzelfde percentage verwachte omzetdaling en moet dezelfde meetperiode kiezen.

Concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen, onder voorwaarden, gebruik maken van een afwijkingsmogelijkheid. Daardoor kunnen zij toch voor individuele werkmaatschappijen NOW-subsidie aanvragen, op basis van de omzetdaling van de werkmaatschappij.

De subsidie van 90% wordt evenredig verlaagd als de omzetdaling minder dan 100% bedraagt. Hieronder enkele voorbeelden van deze evenredige verlaging:

  • 100% omzet weggevallen = 90% tegemoetkoming;
  • 50% omzet weggevallen = 45% tegemoetkoming;
  • 25% omzet weggevallen = 22,5% tegemoetkoming.

Verplichtingen
Als je een tegemoetkoming op grond van de NOW ontvangt, accepteer je een aantal verplichtingen:

  • Houd de loonsom zo veel mogelijk gelijk. Een dalende loonsom leidt tot een lagere tegemoetkoming;
  • Dien geen ontslagaanvraag in bij het UWV tot en met 31 mei 2020 wegens bedrijfseconomische redenen;
  • Gebruik de tegemoetkoming alleen om de loonkosten te betalen;
  • Informeer jouw werknemers, personeelsvertegenwoordiging of ondernemingsraad;
  • Houd een administratie bij waarmee door het UWV gecontroleerd kan worden of je alle voorwaarden voor de tegemoetkoming voldoet. Bewaar dit tot 5 jaar na de vaststelling van de tegemoetkoming;
  • Blijf je loonaangifte op tijd doen;
  • Geef informatie die gevolgen heeft voor de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als je stopt met je bedrijf, door aan het UWV;
  • Stuur achteraf een accountantsverklaring met het definitieve omzetverlies op naar het UWV. Hierover zal het UWV nog nadere informatie verstrekken;
  • Werk mee aan onderzoek van het UWV als dat nodig is om een beslissing over jouw tegemoetkoming te nemen. Het UWV kan tot 5 jaar na de vaststelling van de tegemoetkoming onderzoek doen.

Benodigde gegevens aanvraag
Voor de aanvraag dien je de volgende gegevens bij de hand te hebben;

  • Jouw bedrijfsgegevens: naam, adres, telefoonnummer, e-mail, gegevens contactpersoon;
  • Als je werktijdverkorting hebt aangevraagd: het zaaknummer. Het zaaknummer staat op de ontvangstbevestiging van het ministerie. Het nummer bestaat uit 5 of 6 cijfers;
  • Het loonheffingennummer. Voor ieder loonheffingennummer moet je een aparte aanvraag indienen;
  • De 3 aaneengesloten maanden waarover je minstens 20% omzetverlies verwacht;
  • Het verwachte percentage omzetverlies in die periode;
  • Het rekeningnummer en de tenaamstelling. Dit moet het rekeningnummer zijn dat de Belastingdienst gebruikt om te veel betaalde loonheffingen aan jou terug te betalen. De tegemoetkoming wordt alleen naar dat rekeningnummer overgemaakt;
  • Een kopie van jouw bankafschrift (scan of schermafbeelding) van de bankrekening die hierboven genoemd is. Rekeningnummer en naam rekeninghouder moeten goed zichtbaar zijn.

Aanvraagprocedure
De aanvraag kan worden ingediend per loonheffingennummer. Deze aanvraagperiode loopt van 6 april 2020 tot en met 5 juni 2020. Op basis van de aanvraag zal het UWV een voorschot verstrekken ter hoogte van 80% van de verwachte tegemoetkoming, die zal worden uitbetaald in drie termijnen. Het streven is om de eerste termijn uit te betalen binnen 2-4 weken na de aanvraag.

Vervolgens dient na 6 oktober 2020 een formele vaststelling aangevraagd te worden. Je hebt hiervoor 24 weken de tijd. Je weet dan de werkelijke omzetdaling en het UWV kan de werkelijke loonsom per maand vaststellen, zodat de definitieve afrekening kan worden opgemaakt.

Binnen 52 weken na ontvangst van de formele subsidieaanvraag zal het UWV de definitieve subsidie vaststellen. Bij de definitieve vaststelling vinden nog een aantal correcties plaats op de oorspronkelijk gehanteerde loonsom, zoals voor niet kwalificerende uitkeringen, uitbetaalde vakantiebijslag of ontslagen vanwege bedrijfseconomische redenen. Bij de afrekening kan, na verrekening van het voorschot, sprake zijn van een nabetaling of, als bijvoorbeeld het omzetverlies lager is uitgevallen, terugvordering.

NOW 2.0

De NOW 2.0 verleent voor de maanden juni, juli, augustus en september een subsidie voor de loonkosten. In de NOW 2.0 wordt dezelfde systematiek toegepast als in de NOW 1.0: Werkgevers die te maken hebben met minimaal 20% verwachte omzetdaling, kunnen bij het UWV een tegemoetkoming aanvragen, ter hoogte van maximaal 90% van de loonsom, gerelateerd aan de omzetdaling. Aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 6 juli tot en met 31 augustus 2020. Je kunt een aanvraag voor de NOW2 indienen bij het UWV.

Omzetdaling
De omzetdaling wordt vastgesteld over een viermaandsperiode die start op 1 juni, 1 juli of 1 augustus 2020. Voor een werkgever die ook al een beroep heeft gedaan op NOW 1.0, moet deze omzetperiode aansluiten op de omzetperiode van de NOW 1.0.

Voor zowel de NOW 1.0 als de NOW 2.0 geldt dat subsidies die een ondernemer wegens de coronacrisis ontvangt, als omzet meetellen.

Loonsom
Voor de NOW 2.0 is de referentiemaand voor de loonsom maart 2020. Onder de NOW 1.0 was dat nog (in beginsel) januari 2020. Als peildatum voor het indienen van (correcties op) de loonaangifte geldt 15 mei 2020. Werkgevers dienen de lonen van de betrokken werknemers 100% door te betalen.

Opslag werkgeverslasten
De forfaitaire opslag voor werkgeverslasten wordt onder de NOW 2.0 verhoogd van 30% naar 40%.

Verlaging bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen
Onder de NOW 1.0 mag de werkgever géén ontslag wegens bedrijfseconomische redenen aanvragen voor zijn werknemers, gedurende de periode waarover de NOW-subsidie ontvangen wordt. Doet hij dit toch, wordt bij de vaststelling van de NOW-subsidie een extra verlaging doorgevoerd van 150% van de loonsom van de ontslagen werknemer. Die “boete” van 50% vervalt onder de NOW 2.0, de verlaging wordt beperkt tot 100% van de loonsom van de ontslagen werknemers, bij ontslagen tot 20 werknemers.

Doet de werkgever een melding voor de Wet Melding Collectief Ontslag (WMCO) en vraagt hij voor 20 of meer werknemers per WMCO-werkgebied ontslag aan, dan wordt, naast de reguliere 100%-verlaging, de uiteindelijke NOW-subsidie met 5% extra gekort. Die boete van 5% vervalt als er een akkoord is bereikt over de ontslagaanvraag tussen de werkgever en de betrokken vakbonden, personeelsvertegenwoordiging of werknemers of (bij gebreke van een akkoord) mediation tussen partijen is aangevraagd. De mediaton moet worden aangevraagd bij de commissie van de Stichting van de Arbeid. Het gaat hierbij om ontslagaanvragen die in de periode 1 juni tot en met 30 oktober 2020 worden ingediend.

Het kabinet tornt niet aan bestaande regelgeving rondom ontslagbescherming bij bedrijfseconomisch ontslag, zoals de preventieve toets bij het UWV, de transitievergoeding en de verplichtingen uit de Wet Melding Collectief Ontslag (WMCO).

Verbod op uitkering van dividend/bonus/winst en inkoop eigen aandelen
Bedrijven die gebruikmaken van de NOW 2.0 en een voorschot op de tegemoetkoming van minimaal € 100.000 of een definitieve tegemoetkoming van € 125.000 ontvangen mogen over het jaar 2020 geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Dit moet bij aanvraag expliciet verklaard worden.

Bij bonussen beperkt het verbod zich tot de bonussen die worden uitgekeerd aan het bestuur en de directie. Het strekt zich niet uit tot het overige personeel dat in het bedrijf werkzaam is en dat mogelijk variabel beloond wordt via bonussen. Onder bonussen worden zowel winstdelingen als andere bonusbetalingen verstaan.

Het verbod geldt tot en met de aandeelhoudersvergadering in 2021, waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld. Het verbod geldt niet voor dividend, bonussen en aandelen over 2019 die in 2020 betaald worden, aangezien de beslissingen daarover al genomen waren.

Scholing
Een aanvullende voorwaarde onder de NOW 2.0 is een inspanningsverplichting voor de werkgever om hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen. De scholing zelf is geen onderdeel van de NOW 2.0. Werknemers worden hierdoor in staat gesteld gemakkelijker te kunnen anticiperen op de veranderde arbeidsmarkt. Ter ondersteuning van de inspanningsverplichting komt het kabinet met een flankerend crisispakket onder de noemer NL leert door.

Aanvraag voorschot en formele vaststelling subsidie
Subsidieaanvragen staan open voor zowel werkgevers die een aanvraag voor NOW 1.0 hebben gedaan, als voor werkgevers die voor het eerst een beroep gaan doen op de NOW. Op basis van de aanvraag voor de NOW 2.0 verstrekt UWV een voorschot van 80% op het subsidiebedrag aan de werkgever.

Achteraf wordt vastgesteld wat de daadwerkelijke omzetdaling is geweest en of sprake is van een daling van de loonsom. Bij de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming kan een nabetaling of terugvordering aan de orde zijn.

Indien er zowel voor NOW 1.0 als NOW 2.0, of alleen voor NOW 2.0 een aanvraag is ingediend, kan vaststelling niet eerder dan na afloop van NOW 2.0 aangevraagd worden. Een datum daarvoor wordt nog bekendgemaakt.

NOW 3.0

Per 1 oktober 2020 wordt de NOW-regeling verlengd met drie tijdvakken van drie maanden (NOW 3.0). De exacte voorwaarden van NOW 3.0 moeten nog nader worden uitgewerkt en zullen uiterlijk 1 oktober 2020 bekend worden gemaakt. Op dit moment is over NOW 3.0 al het volgende bekend:

  • NOW 3.0 geldt tot 1 juli 2021 (3 tijdvakken van 3 maanden: 1 oktober 2020 t/m 31 december 2020, 1 januari 2021 t/m 31 maart 2021 en 1 april 2021 t/m 30 juni 2021). Voor elk tijdvak afzonderlijk kan de werkgever besluiten een beroep te doen op NOW 3.0;
  • Het minimale omzetverlies om aanspraak te kunnen maken op NOW 3.0 gaat vanaf het tweede tijdvak omhoog van 20% naar 30%;
  • Het maximale vergoedingspercentage gaat geleidelijk omlaag. Bij NOW 1.0 en NOW 2.0 werd maximaal 90% van de loonsom vergoed (bij een omzetverlies van 100%). Voor NOW 3.0 geldt: het maximale vergoedingspercentage bedraagt in het eerste tijdvak 80%, in het tweede tijdvak 70% en in het derde tijdvak 60%;
  • Werkgevers krijgen de mogelijkheid om de totale loonsom met een bepaald percentage (het ‘vrijstellingspercentage’) te laten dalen zonder gevolgen voor de hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten. Het vrijstellingspercentage voor de loonsom bedraagt 10% in het eerste tijdvak, 15% in het tweede tijdvak en 20% in het derde tijdvak;
  • De korting die in NOW 2.0 wordt toegepast op het moment dat er sprake is van bedrijfseconomisch ontslag wordt losgelaten;
  • In het eerste en tweede tijdvak van NOW 3.0 wordt per werknemer maximaal 2x het dagloon (€ 9.538 per maand) vergoed, net als in de voorgaande NOW-regelingen. In het derde tijdvak wordt het te vergoeden loon per werknemer verlaagd naar maximaal 1x het dagloon;
  • De inspanningsverplichting gericht op scholing en het verbod op het uitkeren van dividend en bonusuitkeringen blijven in NOW 3.0 bestaan;
  • De vaste (forfaitaire) opslag voor de werkgeverslasten, zoals vakantiegeld en pensioenpremies, blijft 40%;
  • Voor deelname aan NOW 3.0 per 1 oktober 2020 maakt het niet uit of je eerder wel of niet van de NOW-regeling gebruik hebt gemaakt;
  • Het UWV streeft ernaar het eerstvolgende aanvraagtijdvak per 16 november 2020 te openen. Daarbij kan met terugwerkende kracht een aanvraag worden ingediend voor het eerste tijdvak (1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020).

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

De Tozo-regeling is gemaakt voor zelfstandig ondernemers die financieel in de knel komen door de coronacrisis. Er zijn twee vormen van ondersteuning:

  • Aanvulling inkomensondersteuning tot aan het sociaal minimum (voor levensonderhoud);
  • Een lening voor bedrijfskapitaal (voor liquiditeitsproblemen).

Inkomensondersteuning voor levensonderhoud

De hoogte van de inkomensondersteuning is afhankelijk van je huishouding en inkomen. De inkomensondersteuning wordt maandelijks uitbetaald en hoeft niet te worden terugbetaald.

Lening voor bedrijfskapitaal

Zelfstandigen kunnen een lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.517 krijgen om liquiditeitsproblemen op te lossen. Het rentepercentage van de lening is vastgesteld op 2% en de maximale looptijd bedraagt drie jaar. Tot 1 januari 2021 is de lening aflossingsvrij en de renteberekening start vanaf het moment dat de lening is verstrekt. Vanaf 1 januari 2021 moet je daadwerkelijk rente en aflossing gaan betalen. Partners die beide zelfstandige met een eigen onderneming zijn, kunnen ieder voor hun eigen onderneming een lening aanvragen. Voor de lening voor bedrijfskapitaal wordt een vermogenstoets uitgevoerd.

Eisen

Voor de Tozo-regeling gelden de volgende eisen:

  • Je hebt als gevolg van de coronacrisis een inkomen onder het sociaal minimum en/of een liquiditeitsprobleem waarvoor je een bedrijfskrediet nodig hebt.
  • Je bent 18 jaar of ouder en hebt de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt. Wanneer je een onderneming hebt en de AOW-gerechtigde leeftijd hebt bereikt, kun je wel een beroep doen op een lening voor bedrijfskapitaal;
  • Je bent Nederlander of daarmee gelijkgesteld;
  • Je woont in Nederland. Wanneer je niet in Nederland woont maar in een ander EU-land, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland en in Nederland je bedrijf hebt (en sociale premies betaalt), kun je enkel een beroep doen op een lening voor bedrijfskapitaal;
  • Je bedrijf is in Nederland gevestigd. Wanneer je bedrijf niet in Nederland is gevestigd maar in een ander EU-land, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland en je in Nederland woont, kun je een beroep doen op inkomensondersteuning voor levensonderhoud;
  • Je bedrijf is economisch nog actief, tenzij dit als gevolg van de coronacrisis niet mogelijk is;
  • Je voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening van het eigen bedrijf, waaronder het ingeschreven staan in het Handelsregister van de KVK;
  • Je bent in bezit van alle noodzakelijke vergunningen;
  • Je bent vóór 17 maart 2020 gestart met de onderneming en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
  • Je voldoet in 2019 aan het urencriterium, dat wil zeggen dat je minimaal 1.225 uur per jaar werkzaam was in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Mocht je na 1 januari 2019 zijn gestart dan moet je in ieder geval in de periode tussen inschrijving bij de Kamer van Koophandel en indiening van de aanvraag gemiddeld minimaal 23,5 uur per week aan/in jouw bedrijf gewerkt hebben. Uren ten behoeve van administratie en acquisitie tellen ook mee;
  • Indien je een directeur-grootaandeelhouder (DGA) bent, geldt daarbij nog dat je, alleen of samen met de andere in de B.V. werkzame directeuren, meer dan 50% van de aandelen bezit;
  • De uitsluitingsgronden zoals genoemd in artikel 13 van de Participatiewet zijn niet op jou van toepassing.

Voor de Tozo 2-regeling en de Tozo 3-regeling gelden nog aanvullende eisen. Kijk hiervoor hieronder bij Tozo 2 en Tozo 3.

Tozo 1

De Tozo 1-regeling liep vanaf 1 maart tot en met 31 mei 2020.

Je kon de inkomensondersteuning voor levensonderhoud met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2020 of bij voorkeur per 1 april 2020, 1 mei 2020 of 1 juni 2020 aanvragen. Je kon daarbij kiezen tussen een aanvraag voor 1, 2 of 3 maanden. Dat betekent dat je er ook voor kon kiezen om op 31 mei 2020 voor de maanden juni tot en met augustus 2020 Tozo 1 aan te vragen.

Bij inkomensondersteuning voor levensonderhoud was geen sprake van een partnerinkomenstoets en een vermogenstoets.

Tozo 2

De Tozo 2-regeling liep vanaf 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020.

De uitkering voor levensonderhoud kon worden toegekend over de maanden juni, juli, augustus en september 2020. Had je bijvoorbeeld al een Tozo 1-uitkering over de maanden april tot en met juni 2020, dan kon je een Tozo 2-uitkering aanvragen voor juli tot en met september 2020. Had je een Tozo 1-uitkering over de maanden juni tot en met augustus 2020, dan had je alleen recht op een Tozo 2-uitkering over de maand september 2020.

Tozo 2 had enkele aanpassingen ten opzichte van Tozo 1:

  1. De partnerinkomenstoets werd uitgevoerd als je de aanvullende uitkering levensonderhoud aanvraagt. De partnerinkomenstoets houdt in dat het inkomen van jouw partner meetelt voor het bepalen van de hoogte van de uitkering. Als het huishoudinkomen boven het sociaal minimum komt, kon je geen aanspraak maken op de Tozo 2-uitkering levensonderhoud.
  2. Voor de aanvraag lening bedrijfskapitaal gold dat je moest verklaren dat er geen surseance van betaling of faillissement is aangevraagd of verkregen voor jezelf, jouw onderneming of één van de vennoten waarmee je samenwerkt. Als dit wel het geval is, kwam je niet in aanmerking voor Tozo 2-lening bedrijfskapitaal.

Tozo 3

De Tozo-regeling is vanaf 1 oktober 2020 verlengd tot 1 april 2021: Tozo 3.

Hierbij is, in tegenstelling tot eerdere berichten, nog geen sprake van een beperkte vermogenstoets. De beperkte vermogenstoets wordt pas ingevoerd in Tozo 4. Tozo 4 gaat lopen van 1 april 2021 tot 1 juli 2021.

Heroriëntatie voor de zelfstandig ondernemer

Per 1 januari 2021 start een volgende fase binnen de Tozo-regeling. In de fase ondersteunt het kabinet zelfstandig ondernemers waar nodig om zich voor te bereiden op een nieuwe toekomst, hetzij als zelfstandig ondernemer, hetzij als werknemers. De komende maanden wordt duidelijk hoe deze ondersteuning wordt gefaciliteerd.

Aanvragen

Tozo 3 kun je aanvragen bij jouw woongemeente. Als je al een Tozo 2-uitkering ontvangt, kun je een verkort aanvraagformulier indienen zodra jouw woongemeente de aanvraagprocedure gereed heeft. De Tozo 2-uitkering wordt niet automatisch verlengd.

Tozo 3 kan, in afwijking van Tozo 1 en Tozo 2, niet over de gehele aanvraagperiode met terugwerkende kracht worden aangevraagd. De uitkering levensonderhoud op basis van Tozo 3 kan in de maanden oktober en november 2020 met terugwerkende kracht tot maximaal 1 oktober 2020 aangevraagd worden. Met ingang van 1 december 2020 is het niet langer mogelijk om nog een uitkering aan te vragen met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2020. Vanaf 1 december 2020 kan de uitkering levensonderhoud op basis van Tozo 3 aangevraagd worden vanaf de 1e van de maand waarin de aanvraag is gedaan.

Meer informatie

Kijk bij Veelgestelde vragen voor meer informatie. Daarnaast is meer informatie over deze regeling te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de KvK.

De TVL richt zich op ondernemingen die door de coronamaatregelen veel omzet verliezen, maar wel doorlopende vaste lasten hebben. De TVL houdt rekening met de hoogte van het omzetverlies en de omvang van de vaste lasten in een sector. De TVL is belastingvrij.

Getroffen onderneming
Niet alle ondernemingen komen voor de TVL in aanmerking. Om voor de TVL in aanmerking te komen moet de onderneming op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd zijn onder één van de vastgestelde SBI-codes. De TVL geldt per onderneming en niet per vestigingseenheid.

Getroffen MKB-onderneming met geregistreerde nevenactiviteit
Als de gedupeerde onderneming niet met zijn hoofdactiviteit, maar wel met een nevenactiviteit met een juiste SBI-code staat ingeschreven in het handelsregister, bestaat ook recht op TVL. Er geldt wel de voorwaarde dat het omzetverlies uitsluitend betrekking heeft op die nevenactiviteit. Omzetverliezen van andere activiteiten tellen niet mee.

Eisen besteding
Aan de besteding van de TVL worden geen nadere eisen gesteld.

Hoogte
De hoogte van de TVL wordt met de volgende formule berekend:
TVL = normale omzet x omzetverlies in % x aandeel vaste lasten in % x 0,5.

Bepaling omzetverlies
Het omzetverlies wordt in beginsel bepaald door de omzet over de subsidieperiode te vergelijken met dezelfde periode in 2019. Onder omzet worden alle inkomsten zonder de ontvangen omzetbelasting (btw), voor aftrek van kosten en vaste lasten, verstaan. Als je een aangifte voor de omzetbelasting moet doen, dan geldt het bedrag waarover je aangifte doet als omzet.

De omzet over de subsidieperiode is pas na afloop daarvan bekend. Bij de TVL-aanvraag zal die omzet dan ook geschat moet worden. Met de omzetschatting wordt beoordeeld of het te verwachten omzetverlies 30% is. Als dat niet het geval is, wijst de RVO de TVL-aanvraag af. Ook de hoogte van het TVL-voorschot (80%) wordt bepaald met de omzetschatting. Hoe later de TVL wordt aangevraagd, hoe beter de inschatting van het omzetverlies, maar dat betekent ook een latere ontvangst van het voorschot.

Als een onderneming belastingplichtig is voor de omzetbelasting (btw), moet de omzet worden ontleend aan de btw-aangiften. Als er geen sprake is van btw-plicht of in andere gevallen waarin er geen btw in Nederland wordt afgedragen of de omzet niet uit de btw-aangifte is te herleiden (bijvoorbeeld bij een fiscale eenheid voor de btw, btw-aangifte op jaarbasis, btw-vrijstelling of nevenactiviteiten), moet de onderneming de omzet ontlenen aan de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk.

Bepaling vaste lasten
Het vastelastenpercentage is een per sector bepaald percentage. Het voor een sector geldende percentage staat vermeld in de lijst met SBI-codes.

De berekening van de vaste lasten van de onderneming heeft in beginsel geen relatie met het daadwerkelijk betaalde bedrag aan vaste lasten dat de onderneming betaalt in de subsidieperiode. Ondernemingen hoeven het bedrag van de vaste lasten in die periode dan ook niet aan te tonen.

Het (forfaitaire) bedrag aan vaste lasten wordt berekend door het per sector bepaalde vastelastenpercentage te vermenigvuldigen met de referentieomzet.

Voorschot
Als de RVO op de aanvraag voor toekenning van de TVL positief beschikt, wordt een eenmalig voorschot toegekend van 80%. Dat voorschot is gebaseerd op het bij de aanvraag opgegeven geschatte omzetverlies.

TVL tot 1 oktober 2020

Periode
De TVL subsidieperiode 1 liep van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020.

Omzetverlies
Het omzetverlies diende minimaal 30% te bedragen.

Vaste lasten
De vaste lasten moesten minimaal € 4.000 zijn in de subsidieperiode van 4 maanden.

Hoogte
De TVL bedroeg minimaal € 1000 en maximaal € 50.000 over de gehele subsidieperiode van 4 maanden. Voor een na 29 februari 2020 gestarte onderneming bedroeg de TVL € 1.000.

Aanvraag
Aanvragen voor de TVL kunnen worden ingediend vanaf 30 juni 2020 t/m 30 oktober 2020 (17.00 uur) op de website van 
de RVO. De beslistermijn van de RVO op de aanvraag is acht weken. Het voorschot wordt in één keer overgemaakt.

Subsidievaststelling
Vanaf 1 november 2020 kun je per e-mail een verzoek tot vaststelling van de RVO ontvangen. Je dient vóór 1 april 2021 de werkelijke omzet in de periode van 1 juni tot en met 30 september 2020 te melden. Bij voorkeur met btw-aangiftes van het tweede en derde kwartaal van 2020. De RVO stuurt je vervolgens binnen 16 weken een bericht over het definitieve bedrag waar je recht op hebt. Bij de afrekening kan sprake zijn van terugvordering of nabetaling.

Als het daadwerkelijke omzetverlies over de subsidieperiode minder dan 30% bedraagt, stelt de RVO de uiteindelijke TVL op nihil vast. Dit laatste geldt niet voor na 29 februari 2020 gestarte ondernemers.

TVL vanaf 1 oktober 2020

De TVL is met een paar aanpassingen verlengd tot en met juni 2021. Je dient de TVL-subsidie steeds voor 3 maanden aan te vragen.

Perioden
TVL Q4 2020 loopt van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020. Aanvragen kan vanaf november 2020.

TVL Q1 2021 loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021.

TVL Q2 2021 loopt van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021.

Aanpassingen na 1 oktober 2020

De TVL is na 1 oktober 2020 op 4 punten aangepast:

  • De TVL is in 3 periodes van 3 maanden aan te vragen. Voor iedere periode moet je een nieuwe aanvraag doen;
  • Je moet minimaal € 4.000 aan vaste lasten in 3 maanden hebben (in plaats van 4 maanden);
  • Het maximum subsidiebedrag wordt € 90.000 per periode (in plaats van € 50.000).
  • Na 1 januari 2021 wordt de TVL langzaam afgebouwd. De grens voor omzetverlies wordt dan in stappen verhoogd. Tot 31 december 2020 geldt nog de grens van minimaal 30% omzetverlies. Voor de overige perioden is deze grens nog niet bepaald.

Belastingmaatregelen

Versoepeling uitstel van betaling diverse belastingen

Getroffen ondernemers kunnen eenvoudiger uitstel van belasting aanvragen indien zij door de uitbraak van het coronavirus in betalingsproblemen zijn gekomen. Dit geldt voor de volgende belastingen:

  • inkomstenbelasting;
  • inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet;
  • loonbelasting;
  • vennootschapsbelasting;
  • omzetbelasting (btw);
  • kansspelbelasting;
  • assurantiebelasting;
  • verhuurderheffing;
  • milieubelastingen (EB/ODE, kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater);
  • accijns (minerale oliën, alcohol en tabak);
  • verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken;
  • BPM voor vergunninghouders (vanaf tijdvak mei 2020).

Uitstel kan worden aangevraagd nadat aangifte is gedaan en een aanslag is ontvangen. Je moet per belastingsoort aangeven of je uitstel van betaling wilt, behalve voor de inkomstenbelasting, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, vennootschapsbelasting, loonheffingen en omzetbelasting (btw). Voor deze vijf belastingsoorten kan in één keer tegelijk uitstel van betaling worden aangevraagd. Wachten totdat voor alle vijf aanslagen zijn opgelegd is niet nodig, één aanslag is voldoende. Ontvang je een aanslag voor een belastingsoort waarvoor je nog geen uitstel hebt aangevraagd, dan moet voor die belastingaanslag nog wel apart uitstel worden gevraagd.

Vanaf het moment dat de Belastingdienst het verzoek om uitstel heeft ontvangen, wordt de invordering van de belastingschulden voor de in je verzoek genoemde belastingsoorten direct stopgezet. Dat geldt ook voor belastingschulden die al zijn ontstaan voordat de coronacrisis uitbrak. Dat betekent dat de ondernemer feitelijk meteen uitstel van betaling krijgt. Het verzoek hoeft maar eenmalig te worden gedaan. Het uitstel geldt voor reeds opgelegde aanslagen vanaf de dagtekening van het verzoek om uitstel van betaling en alle nog op te leggen aanslagen in de daaropvolgende maanden dat het betalingsuitstel geldt. Daarnaast geldt het uitstel totdat de Belastingdienst op het uitstelverzoek beslist. Je ontvangt na ontvangst van het uitstelverzoek een schriftelijke ontvangstbevestiging van de Belastingdienst.

In beginsel wordt uitstel van betaling voor drie maanden (of indien op 1 oktober 2020 of later uitstel wordt aangevraagd: tot en met 31 december 2020) verleend. Wellicht is uitstel van betaling voor drie maanden nog te kort. Je kunt dan het uitstel van betaling verlengen. Hierbij is de hoogte van de belastingschuld op het moment dat uitstel van betaling werd aangevraagd van belang. Het is tot en met 31 december 2020 mogelijk om bijzonder uitstel aan te vragen of een eerdere aanvraag te verlengen. De regeling voor bijzonder uitstel van betaling eindigt uiterlijk op 31 december 2020. Wanneer het bijzonder uitstel afloopt, moet je bij de eerstvolgende aangifte de belasting weer op tijd betalen.

Uitstel verlengen bij een belastingschuld lager dan € 20.000

Indien je het uitstel van betaling wilt verlengen en de belastingschuld was op het moment dat het uitstel van betaling is aangevraagd lager dan € 20.000, kun je hiervoor een verzoek indienen. In dit verzoek moet je de omstandigheden aangeven waardoor je onderneming door de coronacrisis is getroffen, bijvoorbeeld omdat de omzetcijfers, opdrachten, bestellingen of reserveringen aanzienlijk zijn gedaald ten opzichte van vorige maanden.

Je dient te verklaren dat geen dividenden worden uitgekeerd. Tevens mogen aan bestuur en directie geen bonussen worden uitgekeerd en mogen er geen eigen aandelen worden ingekocht. Deze verklaring geldt voor de periode vanaf het insturen van het verzoek voor verlenging van het bijzonder uitstel tot en met de datum van de vergadering waarin de jaarrekening wordt vastgesteld in 2021. Uitbetalingen waartoe in 2019 al formeel was besloten, zijn uitgesloten van deze verklaring.

Uitstel verlengen bij een belastingschuld van € 20.000 of hoger

Indien je het uitstel van betaling wilt verlengen en de belastingschuld was op het moment dat het uitstel van betaling is aangevraagd € 20.000 of hoger, kun je hiervoor ook een verzoek indienen. De Belastingdienst vraagt in dat geval om een verklaring van een derde-deskundige. Een derde-deskundige is bijvoorbeeld een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie, een belastingadviseur of een accountant.

De derde-deskundige moet aannemelijk maken dat er betalingsproblemen zijn op het moment waarop om uitstel wordt gevraagd, of kort daarna. Uit de verklaring moet blijken dat de financiële problemen hoofdzakelijk zijn ontstaan door de coronacrisis. Daarnaast moet de verklaring een zogenoemde liquiditeitsprognose bevatten. Deze moet volgens de derde-deskundige aannemelijk zijn. De prognose moet worden gemaakt aan de hand van feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment dat om uitstel van betaling wordt gevraagd. De derde-deskundige dient toe te lichten welke gegevens de ondernemer heeft verstrekt voor de verklaring.

Ook dien je te verklaren dat geen dividenden worden uitgekeerd. Tevens mogen aan bestuur en directie geen bonussen worden uitgekeerd en mogen er geen eigen aandelen worden ingekocht. Deze verklaring geldt voor de periode vanaf het insturen van het verzoek voor verlenging van het bijzonder uitstel tot en met de datum van de vergadering waarin de jaarrekening wordt vastgesteld in 2021. Uitbetalingen waartoe in 2019 al formeel was besloten, zijn uitgesloten van deze verklaring.

Betalingsregeling

In de periode waarin je bijzonder uitstel van betaling had, heb je een belastingschuld opgebouwd. De Belastingdienst heeft aangekondigd een ruime betalingsregeling aan te bieden.

Je krijgt van 1 juli 2021 tot 1 juli 2024 de tijd om je belastingschuld af te lossen. Je betaalt dan 36 maanden lang elke maand een vast bedrag. Je kunt ook eerder (extra) aflossen.

In het voorjaar van 2021 krijg je een brief van de Belastingdienst. Daarin staan:

  • een definitief overzicht van jouw belastingschuld;
  • de voorwaarden van de betalingsregeling;
  • het maandbedrag van de betalingsregeling.

Boetes

Je kunt een betalingsverzuimboete krijgen als je je aangiftebelasting niet, niet volledig of niet op tijd betaalt. De Belastingdienst zal deze boete achterwege laten of vernietigen als je voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • je hebt bijzonder uitstel van betaling aangevraagd en gekregen voor een naheffingsaanslag met een betalingsverzuimboete;
  • het gaat om een boete voor de periode waarin het versoepelde uitstelbeleid geldt. Concreet: een boete voor het tijdvak februari 2020 of later.

Je hoeft de boete dan niet te betalen en je hoeft ook geen bezwaarschrift tegen de boete in te dienen, als je toch een belastingaanslag met boete ontvangt.

Melding betalingsonmacht

Bestuurders van rechtspersonen (zoals B.V.’s) kunnen aansprakelijk worden gesteld voor het niet betalen van belastingen. Om dit te voorkomen moet normaal gesproken binnen twee weken nadat de verschuldigde belasting betaald of afgedragen had moeten worden een melding betalingsonmacht gedaan worden bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft dit beleid op 8 april 2020 gewijzigd. Het uitstelverzoek voor de loonheffingen en/of omzetbelasting (btw) beschouwt de Belastingdienst in beginsel ook gelijk als een melding betalingsonmacht.

Verlaging voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting 2020
Indien je een lagere winst verwacht kun je een verzoek indienen voor een verlaging van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting 2020. Als het bedrag van de nieuwe voorlopige aanslag lager is dan de belasting die je in de eerste maanden van dit jaar al hebt betaald, krijg je het verschil uitbetaald of wordt het verschil verrekend met eventuele nog openstaande aanslagen.

Verlaging belasting- en invorderingsrente
De invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn is tijdelijk (vanaf 23 maart 2020 tot en met 31 december 2021) verlaagd van 4% naar 0,01%. Dit geldt niet alleen voor een belastingschuld waarvoor bijzonder uitstel van betaling wordt gevraagd, maar voor alle belastingschulden.

De Belastingdienst berekent of vergoedt belastingrente als een belastingaanslag met een te betalen of terug te geven bedrag te lang op zich laat wachten. Het tarief van de belastingrente is normaal 8% voor de vennootschapsbelasting en 4% voor andere belastingen. Het tarief van de belastingrente was tijdelijk (tot 1 oktober 2020) verlaagd naar 0,01%. Deze verlaging gold voor alle belastingen waarvoor belastingrente geldt. De tijdelijke verlaging van het tarief van de belastingrente was ingegaan vanaf 1 juni 2020, behalve voor de inkomstenbelasting. Voor de inkomstenbelasting was de verlaging ingegaan vanaf 1 juli 2020. Vanaf 1 oktober 2020 is het tarief van de belastingrente voor alle belastingen, dus ook de vennootschapsbelasting, 4%.

Toeslagen
Wellicht kom je door de daling van jouw inkomen in aanmerking voor toeslagen, zoals de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, of heb je recht op een hoger bedrag aan toeslagen. Dit is afhankelijk van je inkomens- en vermogensgrens. Kijk bij “veelgestelde vragen” welke grenzen hiervoor precies gelden.

Indien je nog geen voorschotbeschikking voor de toeslag hebt ontvangen, dient hiervoor een verzoek te worden ingediend bij de Belastingdienst. Wij kunnen dit verzoek voor jou indienen of een wijziging van het toetsingsinkomen doorgeven. Neem hiervoor contact met ons op.

Kijk voor informatie over toeslagen op de toeslagenwebsite van de Belastingdienst.

Verlaging gebruikelijk loon
Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) dient een loon te krijgen dat ‘gebruikelijk’ is voor zijn werkzaamheden voor de B.V. Als de coronacrisis grote gevolgen heeft voor de omzet en liquiditeit van een B.V. mogen de B.V. en de DGA van de Belastingdienst gedurende 2020 tijdelijk een lager maandloon vaststellen. Aan het einde van het jaar stelt de B.V. het gebruikelijk jaarloon voor 2020 vast en vermeldt dit in de aangifte loonheffingen.

Voor een DGA mag het gebruikelijk loon voor 2020 dus achteraf bepaald worden. Dan is duidelijker wat de impact is van de coronacrisis op de B.V. en is er meer inzicht om de hoogte van het gebruikelijk jaarloon te bepalen.

DGA’s mogen in 2020 tijdelijk van een lager loon uitgaan, in verhouding tot de omzetdaling van hun bedrijf. Het gebruikelijk loon over 2020 kan worden bepaald met de volgende module (de omzet is exclusief omzetbelasting): Gebruikelijk loon 2020 = gebruikelijk loon 2019 X ( omzet 1e 4 maanden 2020 / omzet 1e 4 maanden 2019). Aan deze verlaging zijn wel een aantal voorwaarden verbonden:

  • De rekening-courantschuld of het dividend mag niet toenemen als gevolg van het lagere gebruikelijke loon;
  • Als de DGA meer loon heeft genoten dan volgt uit de formule, dan geldt het hogere loon;
  • Als de omzet over 2019 of 2020 is beïnvloed door andere bijzondere oorzaken, zoals oprichting, staking, fusie, splitsing of bijzondere resultaten, kan er geen gebruik gemaakt worden van de verlaging via de bovenstaande formule.

Loon dat de DGA al heeft ontvangen over verstreken perioden in 2020 kan niet met terugwerkende kracht verlaagd worden. De B.V. en de DGA kunnen alleen over toekomstige maanden in 2020 het loon verlagen.

Bij verlaging van het maandloon wordt in de aangiften loonheffingen het loon vermeld dat de DGA heeft genoten, inclusief het eventuele loon in natura (bijvoorbeeld privégebruik auto). Uiterlijk aan het einde van het kalenderjaar of op het moment waarop de dienstbetrekking eindigt wordt bepaald wat het gebruikelijk loon voor het jaar 2020 is. Als de B.V. te weinig loon heeft betaald, moet de B.V. het verschil als loon aangeven en daarover loonheffingen betalen.

De B.V. en de DGA kunnen de tijdelijke verlaging van het loon onderling afspreken en vastleggen. Het is niet nodig om hierover vooroverleg te voeren met de Belastingdienst.

Versoepeling urencriterium over 2020
Op een aantal belastingfaciliteiten in de inkomstenbelasting hebben ondernemers alleen recht als zij voldoen aan het zogenoemde urencriterium. Voor 2020 heeft het kabinet besloten dit criterium aan te passen.

De Belastingdienst zal er over de periode van 1 maart tot en met 30 september 2020 van uitgaan dat ondernemers altijd minimaal 24 uur per week aan hun onderneming(en) hebben besteed, ook als dit niet daadwerkelijk het geval is. Bij ondernemers met een verlaagd urencriterium in verband met arbeidsongeschiktheid zal ervan uitgegaan worden dat zij minimaal 16 uur per week besteed hebben aan hun onderneming(en).

Voor seizoensgebonden ondernemers geldt een aanvullende regeling. Zij worden geacht in de bovenstaande periode hetzelfde aantal uren te hebben besteed als in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019. Aan de hand van de administratie van vorig jaar kunnen zij dan beoordelen of zij in 2020 aan het urencriterium voldoen.

De fiscale coronareserve
Een ondernemer die belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting (vpb) kan gebruik maken van de fiscale coronareserve, om zijn bedrijf sneller een liquiditeitsvoordeel te verlenen. De ondernemer mag het verwachte coronagerelateerde verlies dat zich in 2020 voordoet van de winst aftrekken van de winst in 2019. Fiscaal-technisch gaat dit door ten laste van de winst over 2019 een fiscale coronareserve te vormen.

Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • In het boekjaar 2020 is sprake van een verwacht coronagerelateerd verlies, oftewel verlies dat verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. Dit verlies kan niet groter zijn dan het totale verlies dat de belastingplichtige verwacht te hebben over 2020. Als je verwacht dat je over het boekjaar 2020 een positief belastbare winst geniet is het dus niet mogelijk om een coronareserve te vormen;
  • De dotatie aan de fiscale coronareserve in het boekjaar 2019 is maximaal de winst die zou gelden zonder de vorming van deze reserve;
  • Uiterlijk in het boekjaar 2020 zal de fiscale coronareserve in de winst worden opgenomen;
  • De dotatie aan de fiscale coronareserve wordt in de rubriek fiscale reserves opgenomen in de aangifte over 2019. De vrijval in het boekjaar 2020 wordt als onttrekking in deze rubriek opgenomen in de aangifte over dat jaar.

Let op: het vormen van een fiscale coronareserve kan gevolgen hebben voor de toepassing van andere regelingen in de vpb. Hiervoor worden geen flankerende maatregelen getroffen. Het is aan de ondernemer om hier rekening mee te houden bij het vormen van de fiscale coronareserve.

Een deel van de eerder verschuldigde vpb over 2019 kan worden verminderd via een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag of het indienen van de aangifte. Is de aangifte al ingediend? Dan moet een aanvulling worden ingediend door opnieuw aangifte te doen.

Hanteer je een gebroken boekjaar? Dan kun je in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met maart 2020 een fiscale coronareserve vormen. De reserve wordt dan uiterlijk in het boekjaar na het boekjaar waarin de reserve is gevormd volledig in de winst opgenomen.

Overige belastingmaatregelen
Naast deze belastingmaatregelen zijn nog enkele overige belastingmaatregelen aangekondigd, waaronder:

  • Uitstel lokale belastingen;
  • Versoepelingen deblokkeren g-rekening;
  • Versoepelingen invorderingssfeer;
  • Versoepeling aflossingseis eigenwoningschuld;
  • Verhoging van de vrije ruimte van de werkkostenregeling;
  • Uitstel wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap.

    Coronakrediet en garanties

    Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)
    Als een ondernemer te weinig onderpand heeft om geld te lenen kan via de financier gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). De BMKB vergroot het onderpand en daarmee ook de financierbaarheid van de onderneming. Met het borgstellingskrediet staat het ministerie van Economische zaken en Klimaat voor een deel garant voor bedrijven die een lening willen afsluiten.

    Er is een nieuwe tijdelijke verruimingsmaatregel waarmee de Staat een hoger garantieaandeel aanbiedt in de BMKB. In de reguliere regeling betreft het borgstellingskrediet 50% van het krediet dat de financier (vaak een bank) verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 90% van dit borgstellingskrediet. Met deze verruimingsmaatregel wordt de omvang van het borgstellingskrediet in de BMKB verhoogd van 50% naar 75%. Daardoor kunnen banken gemakkelijker en sneller krediet verruimen en hebben bedrijven de mogelijkheid om eerder en meer geld te lenen.

    Meer informatie over de BMKB kun je vinden op de website van de RVO. Kredietverstrekkers kunnen aanmeldingen voor de BMKB bij de RVO doen. Ondernemers moeten zich melden bij hun kredietverstrekker.

    Garantie Ondernemersfinanciering (GO)
    Ondernemingen die problemen ondervinden bij het verkrijgen van bankleningen en bankgaranties kunnen gebruik maken van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO). De corona-module in deze regeling (GO-C) is één van de maatregelen om ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis. Met de GO-C kunnen banken krediet verstrekken aan ondernemingen in verband met liquiditeitstekorten als gevolg van het coronavirus. Het zijn leningen met een maximum looptijd van 6 jaar tussen € 1,5 miljoen en € 150 miljoen per onderneming, waarbij de Staat voor 80% (voor grootbedrijven) en 90% (voor het MKB) garant staat.

    Meer informatie over de GO-C kun je vinden op de website van de RVO. Banken kunnen aanmeldingen voor de GO-C bij de RVO doen. Ondernemers moeten zich melden bij hun bank.

    Klein Krediet Corona (KKC)
    De kans is groot dat het kleinere MKB-bedrijf door de coronacrisis extra liquiditeit nodig heeft, maar hiervoor tot dusver niet bij een financier terecht kon. Het kabinet heeft daarom met de banken een aanvullend instrument geïntroduceerd: de Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC).

    Kleine ondernemer
    De KKC is specifiek bedoeld voor kleine ondernemers met een omzet vanaf € 50.000 die voor de coronacrisis voldoende winstgevend waren en die vóór 1 januari 2019 zijn ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

    Lening met staatsgarantie
    De KKC staat open voor kredietaanvragen van € 10.000 tot € 50.000. De overheid staat voor 95% garant voor de lening.

    Banken en andere geaccrediteerde financiers
    De banken gaan de leningen met KKC-garantie aanbieden. Andere financiers die geaccrediteerd zijn voor de BMKB-C, mogen de regeling ook aanbieden.

    Looptijd, rente en eenmalige premie
    De maximale looptijd van de lening is vijf jaar. De rente die de financiers jaarlijks aan de ondernemers mogen doorrekenen is maximaal 4% van het uitstaande kredietbedrag. Daarnaast betalen ondernemers aan de staat een eenmalige premie van 2% als vergoeding.

    Qredits
    Qredits verstrekt microkredieten aan startende ondernemers en kleine bedrijven en heeft als stichting een ideëel doel. Het kabinet ondersteunt Qredits financieel met een aanvullend bedrag van in totaal € 25 miljoen. Daardoor berekent Qredits gedurende maximaal twaalf maanden een lagere rente van 2% en verleent Qredits uitstel van aflossingsverplichtingen.

    Meer informatie over het Corona-overbruggingskrediet kun je vinden op de website van Qredits.

    Uitstel aflossingsverplichtingen leningen bij banken
    Diverse Nederlandse banken geven middelgrote en kleine bedrijven vanwege de gevolgen van het coronavirus een half jaar uitstel van de aflossing op hun leningen. Dit geldt voor bedrijfsleningen tot maximaal 50 miljoen euro. Voor leningen boven dat bedrag zijn deze banken ook bereid om bedrijven financiële ruimte te geven, maar dit is maatwerk per klant. Sommige kredieten zijn uitgezonderd. Tevens kan de wijze van aanvraag per bank verschillen. Kijk op de website van jouw bank voor verdere informatie.

    Overige maatregelen

    Naast deze maatregelen heeft het kabinet nog enkele overige maatregelen aangekondigd:

    Personeel

    Wettelijk verlof 
    Het opnemen van verlof gaat in overleg tussen werknemer en werkgever. In principe mag je een werknemer niet verplichten om verlof op te nemen. Daar tegenover staat dat als verlof is goedgekeurd een werknemer niet zo maar mag verwachten dat reeds aangevraagde en goedgekeurde verlof wordt ingetrokken. Ook dit gaat in overleg.

    Wettelijk verlof van een jaar vervalt in principe op 1 juli van het volgende jaar. Indien een langdurig zieke medewerker door ziekte niet in staat is om verlof op te nemen, dan blijft het wettelijk verlof staan.

    Reiskosten/lunchbijdrage bij thuiswerken of niet werken
    Hoewel reiskosten onbelast mogen worden doorbetaald, is ons advies dat als werknemers niet reizen voor het werk, de reiskosten vanaf 1 april 2020 stop te zetten. Indien werknemers af en toe naar werk reizen of andere zakelijke reiskosten maken, dan kunnen deze reiskosten op basis van de werkelijke gereden kilometers á € 0,19 aan de werknemers worden vergoed.

    Dit geldt ook voor de lunchbijdrage. Ons advies is om dit ook per 1 april 2020 stop te zetten indien werknemers thuis werken of niet kunnen werken door algehele sluiting. Indien werknemers af en toe meelunchen met een door de werkgever verzorgde lunch moet er een bijdrage van € 3,35 per maaltijd als normbedrag worden toegepast. Indien de reiskosten en/of lunchbijdrage moeten komen te vervallen of als er andere bedragen dan normaal van toepassing zijn, laat dit dan ook aan de salarisadministratie weten zodat zij hier rekening mee kunnen houden.

    Aflopende arbeidscontracten
    Indien tijdelijke arbeidscontracten aflopen en dit is gemeld bij Finance Plus, dan wordt er vanuit het loonpakket Nmbrs een herinneringsbericht verstuurd.
    Maar ook als je geen bericht ontvangt is het raadzaam om de einddatum van de contracten goed in de gaten te houden. Indien er geen actie wordt ondernomen, dan wordt de arbeidsovereenkomst automatisch verlengd. Als het de 4de overeenkomst is, en/of de werknemer is 3 jaar in dienst, dan is de werknemer, zonder dat het misschien de bedoeling is, voor onbepaalde tijd in dienst.

    Als je de arbeidsovereenkomst wilt beëindigen, dan dien je deze een maand van te voren op te zeggen. Indien er niet of niet tijdig wordt opgezegd kan de medewerker aanspraak maken op een boete voor iedere dag dat er niet tijdig is opgezegd. Dit heet de aanzegtermijn. Houdt ook rekening met een eventuele transitievergoeding die bij de eindafrekening moet worden betaald indien de beëindiging van het dienstverband op verzoek van de werkgever is gegaan.

    Er zijn verschillende manieren om afscheid van elkaar te nemen.

    1. Werknemer zegt zelf op:
      De werknemer moet zich houden aan de opzegtermijn van 1 maand tenzij anders is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst of CAO. Het opzegtermijn is altijd per einde van de maand. De werknemer heeft geen recht op een eventuele WW uitkering en transitievergoeding.
    2. Niet verder in de proeftijd:
      Dit mag zonder opgaaf van reden. De proeftijd moet wel schriftelijk zijn overeengekomen. Indien dit niet in de arbeidsovereenkomst staat en/of niet schriftelijk is overeengekomen dan is de proeftijd nietig. Dit houdt in dat er geen proeftijd is.  Indien de werkgever de proeftijd beëindigd dan is de werkgever voor iedere gewerkte dag een transitievergoeding verschuldigd. De werknemer heeft, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, recht op een WW uitkering. Heeft de werknemer opgezegd dan is er geen transitievergoeding verschuldigd en is er hoogst waarschijnlijk geen recht op een WW uitkering.
    3. Niet verder bij einde contract:
      Ook hier geldt; wie wil er niet verder. Indien dit de werkgever is dan is er een transitievergoeding verschuldigd en heeft de werknemer, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, recht op een WW uitkering. Indien de werknemer niet verder wil is er geen transitievergoeding verschuldigd. Indien de werknemer onder dezelfde voorwaarden een aanvullende arbeidsovereenkomst heeft aangeboden gekregen en dit niet accepteert, is er  hoogst waarschijnlijk geen recht op een WW uitkering. Heeft de werkgever de arbeidsvoorwaarden bij contractverlening (ten nadele van de werknemer) gewijzigd, is er hoogst waarschijnlijk wel recht op een WW uitkering.
    4. Met een vaststellingsovereenkomst (beëindigingsovereenkomst):
      Er is geen transitievergoeding verschuldigd. Dit is een overeenkomst die beide partijen maken. De werknemer heeft, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, wel recht op een WW uitkering. Let wel op dat als de werknemer een tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft waarin staat dat er niet tussentijds opgezegd mag worden, de mogelijkheid bestaat dat het UWV de werkgever houdt aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
    5. Ontslag op staande voet:
      Indien aan de voorwaarden van ontslag op staande voet is voldaan, is er geen transitievergoeding verschuldigd en heeft de werknemer geen recht op een WW uitkering.
    6. Werknemer is 2 jaar of langer ziek:
      Indien er geen kans op herstel is, mag er afscheid worden genomen van de werknemer. Er is een transitievergoeding verschuldigd die terug kan worden gevraagd bij het UWV. De werknemer krijgt een uitkering van het UWV. De hoogte hiervan is afhankelijk van het percentage van arbeidsongeschiktheid. Dit bepaalt het UWV. Indien de werknemer tijdens de ziekteperiode niet in staat was om verlof op te nemen, moeten alle verlofuren die tijdens ziekte zijn opgebouwd worden afgerekend.
    7. Ontslag via kantonrechter of UWV:
      Via Kantonrechter:
      – Bij persoonlijke omstandigheden, zoals ontslag wegens disfunctioneren of een verstoorde arbeidsrelatie, of een combinatie van persoonlijke omstandigheden. Je kunt proberen om met een vaststellingsovereenkomst afscheid van elkaar te nemen. Lukt dit niet, ga dan naar de kantonrechter;
      – Nadat UWV een ontslagvergunning heeft geweigerd.
      Via UWV:
      – Indien je om bedrijfseconomische redenen van je werknemer af moet en het lukt jullie niet om dit via een vaststellingsovereenkomst te regelen;
      – Als een werknemer 2 jaar of langer ziek is en het lukt jullie niet om dit via een vaststellingsovereenkomst te regelen;
      – Als je in 3 maanden tijd van meer dan 20 werknemers afscheid moet nemen (collectief ontslag).

    Of een werknemer recht heeft op een WW uitkering is o.a. afhankelijk van:

    • Is de werknemer verwijtbaar werkloos? Zelf ontslag nemen, ontslag op staande voet en het weigeren van een aanvullende arbeidsovereenkomst welke gelijk of beter is dan de vorige is verwijtbaar. Bij verwijtbaar werkloos heeft een werknemer geen recht op een WW-uitkering.
    • De werknemer heeft in de laatste 36 weken 26 weken hebben gewerkt (wekeneis). Dan is er recht op een WW-uitkering van 3 maanden.
    • De werknemer heeft in de laatste 5 jaren 4 jaren gewerkt. Dan is er recht op een langere uitkering. Dit is afhankelijk van het totale arbeidsverleden.
    • De werknemer moet beschikbaar zijn voor werk.

    Ook als de NOW is aangevraagd en de werkgever wil niet verder met de werknemer, is de werkgever niet verplicht om de arbeidsovereenkomst te verlengen. Wat de beslissing ook is, de melding naar de werknemer moet schriftelijk. Dit mag ook per e-mail.

    Meer informatie nodig?

    Online
    Op de website van de Rijksoverheid  is per categorie meer informatie te vinden over het coronavirus COVID-19. Zij hebben ook een informatiepagina met veelgestelde vragen over het coronavirus voor ondernemers en bedrijven.  

    De Kamer van Koophandel heeft het KVK Coronaloket opgesteld, waar je onder meer een regelingencheck kunt doen en meer kunt lezen over inspirerende ondernemersinitiatieven.

    Telefonisch
    Iedereen met vragen over het coronavirus kan ook telefonisch bij de overheid terecht via het publieksinformatienummer 0800 1351. Dit nummer is dagelijks bereikbaar tussen 08:00 en 20:00. Vanuit het buitenland kan gebeld worden met +312 0205 1351.

    Het KVK Coronaloket is ook telefonisch bereikbaar voor vragen via telefoonnummer 0800 2117. Zij zijn bereikbaar op werkdagen tussen 08.30 en 17.00 uur. Bij dit telefonisch loket zitten specialisten die kunnen helpen bij vragen over welke regelingen er bestaan, hoe je moet handelen in bepaalde gevallen en wat aanbevolen is om nu te doen.

    Kom je er op basis van bovenstaande informatie niet uit? Neem dan contact met ons op!

    Crisis(beleids)team

    Het kan nuttig zijn om als organisatie een crisis(beleids)team samen te stellen. Het crisisteam (CT) is eindverantwoordelijk voor het beleid en stelt deze vast. Meestal besluit de directie in eerste instantie wie er in het crisisteam van een organisatie zitten. Het team vergadert op vaste momenten en bestaat uit een beperkt aantal mensen, bij voorkeur van verschillende afdelingen. Het team wordt ondersteund door ten minste één, het liefste twee assistenten die verslag maakt, opdrachten uitzet en functioneert als contactpersoon. Van alle bijeenkomsten wordt schriftelijk verslag gemaakt. Besluiten van het CT zijn kort en duidelijk.

    Een crisisteam in de praktijk
    Dagelijks beoordeelt het CT of er nieuwe relevante informatie bekend geworden is en of ze daarop dienen te handelen. Periodiek, afhankelijk van de grootte van de organisatie en de invloed van de crisis op de werkzaamheden, plannen ze een overleg over te nemen maatregelen. Er wordt één contactpersoon aangewezen waar werknemers mee kunnen communiceren.

    Vraagstukken waar ze zich in eerste instantie mee bezig kunnen houden:

    • Welke werknemers vallen in de risicogroepen?
    • Heeft iedereen genoeg instructies om thuis te kunnen werken?
    • Heeft iedereen genoeg materiaal om efficiënt contact te houden?
    • Zijn er extra hygiëneafspraken gemaakt met de schoonmakers?
    • Weten alle werknemers hoe de situatie ervoor staat en wat er van hen verwacht wordt?

    In de langere termijn:

    • Wie communiceert wat en hoe? Laat regelmatig horen wat besloten is en waarom.
    • Welke bijeenkomsten gaan door en welke worden uitgesteld?
    • Houdt de langetermijnvraagstukken en de omgevingsvraagstukken in de gaten.
    • Maak een analyse en kom met concrete voorstellen op beleidsniveau.

    Veelgestelde vragen

    Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW)

    Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

    Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB (TVL)

    Belastingen

    Personeel